Essay | Cyborg Ethiek in de door Neoliberalisme Gedreven Samenleving van RoboCop (1987)

Binnen media studies is het posthumanisme een terugkerend onderwerp. Deze stroming keert zich tegen het traditionele humanistische idee dat de mensheid centraal staat in de wereld, en dat machines, natuur en andere entiteiten hierdoor ondergeschikt zijn aan de mens. Volgens het humanisme zou een machine door haar passiviteit en gebrek aan een vrije wil bijvoorbeeld nooit gelijkwaardig aan een mens behandelt kunnen worden. De afgelopen decennia hebben veel sciencefictionfilms dit idee echter proberen te weerleggen. Zo vervagen de films Blade Runner (1982) en RoboCop (1987) bijvoorbeeld de grens tussen mens en machine, met hun levensechte portrettering van de ‘menselijke robot’; ook wel bekend als de cyborg. De geavanceerde cyborgs in deze films beschikken over complexe gevoelens en eigenschappen, en zijn in staat om autonoom te handelen.

Omdat mens en machine in deze films nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn, wakkeren dergelijke films al decennialang ethische discussies aan. Hoe dient een cyborg bijvoorbeeld behandelt te worden? En wat zijn de verantwoordelijkheden van de mensheid naar deze intelligente wezens? In een poging om een bescheiden bijdrage te leveren aan deze ellenlange discussies met betrekking tot cyborg ethiek, richt ik mij in onderstaand onderzoek voor de Universiteit van Amsterdam tot de film RoboCop.

Introductie

Binnen het sciencefictiongenre zijn politieke thema’s als kapitalisme en neoliberalisme veelbesproken onderwerpen. In films uit het Cyberpunkgenre, een subgenre binnen sciencefiction, heeft zich dit vaak vertaald naar stevige kritiek op deze politieke systemen. In het invloedrijke Blade Runner (1982) van regisseur Ridley Scott wordt bijvoorbeeld een dystopisch toekomstbeeld geschetst van een aarde die ten onder is gegaan aan ongeremd neoliberalisme. In deze film is een afbreuk van de sociale orde een belangrijk thema en staan de gevaren van technologie en ongeremd kapitalisme en consumptisme centraal.

Hoewel de film RoboCop (Verhoeven 1987) zich afspeelt in een meer nabije toekomst, maakt deze film ook deel uit van het Cyberpunk-genre. In deze cult-klassieker van de Nederlandse regisseur Paul Verhoeven wordt een futuristische versie van de Amerikaanse stad Detroit geportretteerd, waarin de komst van de cyborg is bewerkstelligd door het commerciële techbedrijf Omni Consumer Products (OCP). OCP is in deze alternatieve realiteit de meest invloedrijke instantie van de stad, wat ze voor een groot gedeelte te danken heeft aan de economische vrijheid die de door neoliberalisme gedreven samenleving biedt aan grote bedrijven. Voor de cyborg politieagent RoboCop heeft dit politieke systeem echter grote gevolgen voor zijn leven en de manier waarop OCP hem behandelt. Daarom wordt in deze analyse onderzoek gedaan naar de impact van ongeremd neoliberalisme op ethische kwesties met betrekking tot de cyborg.

Deze analyse onderzoekt binnen de context van het posthumanisme de gevolgen van ongeremd neoliberalisme. Daarmee is de analyse relevant voor onze huidige tijd, waarin dit politieke systeem nog altijd haar dominantie kent in de Verenigde Staten en de landen in de wereld die zowel direct als indirect te maken hebben met de Amerikaanse cultuur. Hoewel RoboCop inmiddels 34 jaar geleden op het witte doek verscheen en de Amerikaanse politiek sinds 1987 natuurlijk niet heeft stilgezeten, houdt veel van de kritiek op het neoliberalisme in de film nog steeds stand.

Na een uitgebreide analyse van de film en met behulp van het theoretisch kader hoopt dit onderzoek aan te tonen dat ongeremd neoliberalisme door de ongereguleerde macht van commerciële bedrijven een negatieve invloed heeft op het leven van de cyborg. OCP overschrijdt bij de manier waarop ze RoboCop behandelen namelijk talloze ethische grenzen.

Method

Doordat neoliberalisme natuurlijk een enorm breed begrip is, richt dit onderzoek zich voornamelijk op de machtsverhoudingen die het creëert tussen de staat en het bedrijfsleven. Hoewel het voor een onderzoek als deze zeker waardevol kan zijn om dieper te duiken in de algemene geschiedenis en de bredere impact van het neoliberalisme in Amerika, valt dit buiten de scope van het project. In dit onderzoek staat de analyse van de film centraal, en zullen alleen de kenmerken en gevolgen van neoliberalisme behandelt worden die specifiek in verband staan met de gebeurtenissen uit de film. 

Daarnaast richt dit onderzoek zich uitsluitend op de film RoboCop, waardoor andere films – die zich in vergelijkbare werelden afspelen of vergelijkbare ethische dilemma’s behandelen – worden uitgesloten. In eventueel verder onderzoek zijn er echter zeker interessante mogelijkheden voor directe vergelijkingen met andere films uit het Cyberpunk-genre, zoals met het eerder genoemde Blade Runner.

Bij het analyseren van de formele elementen van RoboCop zal dit onderzoek zich ten slotte vooral richten op de mise-en-scène en de narratieve elementen van de film. Veel van de kritiek op het neoliberalisme in de film zit namelijk verhuld in elementen als het decor, het kleurgebruik en dialoog.

Theoretisch Kader

De term ‘cyborg’ is een mengeling van de woorden ‘cybernetisch’ en ‘organisme’ (Haraway 1991, 149) en wordt door Haraway (1991) gedefinieerd als een ‘hybride van machine en organisme’ (149). Hoewel een personage als RoboCop grotendeels is berust op fictie, hebben verschillende studies geschreven over de wazige, arbitraire grens tussen mens, machine en natuur. Ten eerste vindt Haraway dat ‘de grens tussen sciencefiction en de realiteit slechts een illusie is’ (1991, 149) en dat we in feite allemaal cyborgs zijn (1991, 150). Latour bouwt hier vervolgens op voort met zijn Actor-Network Theory (ANT), die stelt dat ‘niet-menselijke technologieën en fenomenen een even groot aandeel hebben in de samenleving als mensen’ (Michael 2016, 3-4). Deze theorie vermijdt essentialistische categorieën en maakt zich hard voor hybride configuraties tussen mens, machine, natuur en andere entiteiten (Forlano 2017, 21). Ten slotte bekritiseert Verbeek de ideeën van het instrumentalisme. Aanhangers van deze stroming stellen dat technologieën slechts een instrument van de mensheid zouden zijn (Azroomchilar & Novotny 2018, 519). Daarmee wordt bijvoorbeeld de cyborg volgens Verbeek onterecht gereduceerd tot een hulpmiddel zonder autonomie of bewustzijn.

Wat deze studies dus gemeen hebben, is de gedeelde afkeer tegen antropocentrisme en instrumentalisme: de mens is volgens deze wetenschappers niet het middelpunt van het bestaan en niet-menselijke fenomenen worden niet volledig gedicteerd door de mensheid. Deze studies zijn zowel voor dit onderzoek als de film RoboCop in het bijzonder relevant, omdat OCP haar praktijken in de film grotendeels rechtvaardigt door krampachtig vast te houden aan dit antropocentrische denkbeeld.

Aansluitend op deze theorieën wordt ethiek in dit onderzoek gemeten aan de hand van de Self-Determination Theory (SDT). Verschillende studies bekritiseren namelijk traditionele ethische theorieën. Zo stelt Verbeek dat deze theorieën onterecht aannemen dat ‘technologieën geen bewustzijn, rationaliteit, vrijheid of ‘opzettelijkheid’ zouden kennen’ en dat ‘moraliteit daarom alleen een menselijke affaire is’ (Verbeek 2011, 6). Latour schaart zich achter Verbeek en stelt dat ‘moraliteit zowel in mensen als dingen gevonden kan worden’ (Azroomchilar & Novotny 2018, 520). 

Als alternatief op deze traditionele theorieën suggereert Wellner daarom dat ethiek draait om persoonlijke ontwikkeling en welzijn (Wellner 2017, 330), en niet om het vastleggen van regels die dicteren wat ‘goed’ of ‘fout’ zou zijn volgens traditionele humanistische waarden (Wellner 2017, 330). De SDT, die ethiek koppelt aan (menselijk) welzijn, biedt daarom een relevant alternatief. Wellner (2017) bekijkt de ideeën over welzijn en ethiek binnen de SDTvanuit een posthumanistische invalshoek, en stelt dat deze theorie ook van toepassing is op andere organismen en zelfs op ‘materie, zoals water en lucht’ (331). Hierdoor is deze theorie relevant bij het definiëren van ethiek met betrekking tot de cyborg. 

I. Neoliberalisme in Detroit

RoboCop speelt zich dus af in een futuristische, alternatieve versie van Detroit. Door de mise-en-scène elementen van de film wordt Detroit gepresenteerd als een kille, zakelijke stad. In de buitenlocaties van de film zijn de eentonige wolkenkrabbers en grijze fabrieken vrijwel altijd zichtbaar, en is er weinig tot geen groene natuur te bekennen. Ook binnenlocaties, zoals het politiebureau, het laboratorium en het drugslab zijn minimalistisch ingericht, waarbij het lage contrast in belichting zorgt voor een enigszins fletse presentatie.

Daarnaast maakt de film overwegend gebruik van grijze en blauwe kleuren in haar set dressing, wat verder bijdraagt aan het grauwe en industriële uiterlijk van de stad. Al deze aspecten benadrukken het commerciële karakter van de stad en de door neoliberalisme gedreven samenleving van Amerika. Deze politieke stroming ontstond als een herleving van klassieke liberalistische ideeën (Robertson 2009, 217) waarin een ‘beperkte overheid, ongereguleerde vrije markten en het koesteren van privébezit centraal staan’ (Robertson 2009, 217). Daarnaast pleit het neoliberalisme voor een inkrimping van de staat, wat betekent dat private bedrijven de diensten moeten verlenen die normaliter onder de verantwoordelijkheid van de overheid vallen (Robertson 2009, 217).

In enkele satirische reclames uit de film wordt dit systeem flink op de hak genomen. Zo wordt de kijker tijdens een bizarre reclame-onderbreking van een nieuwsprogramma via direct address aangesproken door een louche chirurg, die getransplanteerde harten van topsporters verkoopt. Ook wordt er reclame gemaakt voor een familiespel genaamd Nukem, waarin het de bedoeling is om kernraketten op elkaars landen af te vuren. Deze reclames dienen als een kritiek op het door consumptisme gedreven Amerika, waarin werkelijk alles te koop is, en wetgeving of controle nauwelijks aan de orde is.

Vlak na de eerste nieuwsuitzending wordt in een establishing shot het plaatselijke politiebureau van Detroit getoond. Doordat de camera laag bij de grond wordt gehouden, lijken de nabijgelegen wolkenkrabbers mijlenver boven het bureau uit te steken. Deze compositie symboliseert zo op een subtiele manier de scheve, onderliggende machtsverhoudingen tussen de staat en het bedrijfsleven in de film. Door de privatisering van staatsbedrijven beheert OCP naast de ziekenhuizen, de ruimteverkenning en de gevangenissen namelijk ook het gehele politiekorps van Detroit. Een belangrijk motief voor de acquisitie van deze staatsbedrijven komt al gauw aan het licht wanneer OCP’s vicevoorzitter Richard ‘Dick’ Jones in een vergadering benadrukt dat ‘overal wel geld te verdienen valt.’

Bij het beheer van deze instanties spelen de commerciële belangen van OCP dus een belangrijke rol, wat leidt tot flinke kritiek vanuit de media. Doordat OCP in haar beleidsvoering nadrukkelijk de focus legt op productiviteit en efficiëntie, wordt de techgigant in een nieuwsuitzending verantwoordelijk gehouden voor de toenemende criminaliteit in de stad en de grote hoeveelheid dodelijke slachtoffers die daarbij komen kijken. Door de bezuinigingen worden agenten regelmatig ontslagen en kunnen de overgebleven agenten tijdens missies nauwelijks nog rekenen op versterking of medische zorg. Daarnaast wordt de politiechef niet geïnformeerd over belangrijke beslissingen van OCP’s management, en is transparantie en communicatie tussen de twee instanties ver te zoeken. Een dreigende staking van de agenten is hierdoor een terugkerend motief in het verhaal.

Het management van OCP trekt zich echter weinig aan van de kritiek en de onvrede en geeft het interne R&D-team ondertussen groen licht voor de bouw van de cyborg politieagent RoboCop. Dit project wordt in het leven geroepen als een tegenreactie op de ontembare criminaliteit in de stad, en moet de bouw van Delta City in gang gaan zetten: een gigantisch renovatieproject waarin de oude binnenstad van Detroit volledig op de schop gaat. Het ambitieuze project, dat alleen van start kan gaan als de stad veilig genoeg is, moet gaan leiden tot twee miljoen nieuwe banen en een hernieuwde, nationale interesse in de stad, wat OCP uiteindelijk miljarden op kan leveren.

II. Het morele geweten van OCP

Al vanaf de start van het RoboCop-project beginnen de dubieuze beslissingen van OCP zich echter op te stapelen. Voor het ‘menselijke’ deel van de cyborg wordt namelijk Alex Murphy geselecteerd, een politieagent die vlak voor de start van het project op gruwelijke wijze werd vermoord door een criminele bende: een gebeurtenis die in de eerste plaats al veroorzaakt werd door het schreeuwende tekort aan politieagenten. Zonder Murphy’s persoonlijke toestemming wordt hij na zijn dood door de wetenschappers van OCP klaargemaakt voor operatie. Deze operatiescène wordt in zijn geheel met een Point of View-shot gepresenteerd vanuit het gezichtsveld van Alex, die dankzij de geïmplanteerde computeronderdelen in zijn lichaam weer een bepaalde mate van bewustzijn ervaart.

‘Alex’ kijkt hulpeloos toe hoe de wetenschappers van OCP hem langzaamaan transformeren tot RoboCop. Hier komen ook de nodige complicaties bij kijken. Zijn overgebleven arm zou volgens Bob Morton, de zelfzuchtige ontwerper van RoboCop, bijvoorbeeld niet passen in het mechanische corpus, waardoor de arm geamputeerd moet worden. Wat duidelijk naar voren komt, is dat dit soort overwegingen worden gemaakt zonder de belangen van Murphy te respecteren. Donald Johnson, de assistent van Morton, stelt namelijk dat Alex ‘wettelijk gezien dood is’ en dat ze daarom met hem kunnen doen wat ze willen. Hierop wordt Murphy’s arm geamputeerd, en wordt zelfs zijn geheugen gewist, waardoor hij zich deze operatie niet meer kan herinneren.

Het wissen van zijn geheugen draagt op een negatieve manier bij aan RoboCops mate van functioneren binnen zijn interne (mentale) en externe (fysieke) omgeving, wat binnen de SDT ook wel gedefinieerd wordt als competence. Volgens de SDT is competence een belangrijke factor bij het meten van welzijn. Doordat RoboCop zich zijn dubieuze operatie niet meer kan herinneren en zijn vorige leven grotendeels een mysterie voor hem is geworden, heeft dit cruciale gevolgen voor zijn persoonlijke ontwikkeling. Hier wordt daarom de eerste ethische grens overschreden door OCP.

Ook na de voltooiing van zijn transformatie wordt RoboCop niet altijd goed behandelt door OCP. Zodra hij vanuit het laboratorium wordt overgebracht naar het politiebureau, overhandigt een van de wetenschappers een Gps-tracker aan Bob Morton, waarmee RoboCops locatie altijd in de gaten gehouden kan worden. Op het politiebureau wordt hij in een afgezonderde ruimte neergezet, waar hij rust als de werkdag erop zit. Hoewel het geen gevangeniscel is, creëren de lege, met gaashekwerk afgezette ruimte in combinatie met de grijze, kale muren een gevoel van gevangenschap.

Het is een van de vele voorbeelden waarop RoboCop door OCP wordt afgezonderd van sociaal contact. Zo is bijvoorbeeld ook de familie van Alex Murphy na zijn dood nooit op de hoogte gebracht van het RoboCop-project, waardoor de familie na zijn begrafenis een nieuw leven is begonnen buiten Detroit. Daarnaast wordt Anne Lewis, een vriendin en collega van Alex, door OCP verboden om contact te maken met RoboCop. Hierdoor wordt een gevoel van afstandelijkheid gecreëerd, wat een negatieve impact heeft op een andere basisbehoefte die van groot belang is binnen de SDT: relatedness.

Relatedness ontfermt zich over het gevoel van verbondenheid dat iemand heeft met anderen (Deci & Ryan 2012, 4), wat samenhangt met de behoefte aan veiligheid, acceptatie en empathie (Wellner 2017, 330). Hoewel van verbondenheid dus weinig sprake is, kan RoboCop ook op maar weinig acceptatie en empathie van OCP rekenen. Zowel Bob Morton als Richard Jones beschouwen de cyborg als een levenloze machine. Allebei verwijzen ze in dialoog naar de cyborg als een ‘product’ en een ‘programma’, zonder een eigen wil. Later in de film komt RoboCops veiligheid zelfs op het spel te staan, wanneer hij een groot corruptieschandaal binnen OCP aan het licht brengt. Richard Jones, die hierbij betrokken was, gebruikt RoboCops Gps-tracker vervolgens tegen hem, en laat hem opsporen door een leger aan politieagenten, met het doel om hem te vernietigen. Aan de hand van deze gebeurtenissen overschrijdt OCP dus wederom ethische grenzen.

III. Tegendraads antropocentrisme binnen OCP

OCP rechtvaardigt deze praktijken in de film door een duidelijk onderscheid te maken tussen mens en machine. Bob Morton en Richard Jones nemen in de film een standpunt aan dat in nauw verband staat met het eerder genoemde antropocentrisme en instrumentalisme. In een dialoog tussen RoboCop en Richard Jones zegt de vicevoorzitter bijvoorbeeld: ‘Je bent ons product. En onze producten mogen zich toch niet tegen ons keren?’ Op die manier wordt RoboCop door OCP gereduceerd tot een slaafs hulpmiddel zonder eigen wil, die volledig gecontroleerd zou worden door zijn menselijke opdrachtgevers. Dit is echter een foutieve aanname. Verbeek zegt hier bijvoorbeeld het volgende over: ‘Technologieën worden niet volledig gevormd door mensen en ze zijn ook niet slechts instrumenten’ (Azroomchilar & Novotny 2018, 520). Een cyborg als RoboCop overschrijdt daarom ‘de traditionele tweedeling tussen organisch en kunstmatig’ (Gomel 2011, 341). 

De eerder benoemde Actor-Network Theory vertrekt vervolgens vanuit ditzelfde gedachtepunt en bekritiseert het humanistische idee dat de mens de belangrijkste schakel zou zijn bij processen en fenomenen. In plaats daarvan stelt de ANT ‘alle voorwerpen, niet-materiële dingen, dieren en mensen compleet aan elkaar gelijk’ (Den Ouden 2013, 3). Op deze manier worden ook de ‘extensies’ van een cyborg gelijk gesteld aan die van een mens. RoboCops technologische targeting system – die gepresenteerd wordt vanuit een Point of View-shot en hem in staat stelt om zijn wapen nauwkeurig te richten – verschilt in dat geval bijvoorbeeld niets van de contactlenzen die het zicht van een mens verbeteren. De ANT legt daarmee de nadruk op de heterogeniteit van deze zogenoemde actors: hierdoor is de mens zelf ook een hybride van mens en niet-mens (Michael 2016, 3-4).

Daarnaast stamt OCP’s antropocentrische manier van denken uit een tijd dat machines ‘niet zelf-bewegend, zelfontwerpend of autonoom waren’ (Haraway 1991, 152). Een hedendaagse ‘machine’ als RoboCop is echter wél in staat om na te denken en om zelfstandig beslissingen te maken; iets wat in een belangrijke scène in de film wordt benadrukt. Wanneer RoboCop na een lange werkdag in zijn stoel op het politiebureau slaapt, blijkt hij een nachtmerrie te hebben. Met behulp van een cutaway-shottoont de film een flashback van Alex Murphy’s gruwelijke dood, die zich in RoboCops hoofd afspeelt. Hij schrikt uiteindelijk wakker uit deze nachtmerrie en staat vervolgens geheel vrijwillig – en zonder een bevel – op uit zijn stoel om op onderzoek te gaan naar zijn eigen dood.  Hiermee bewijst de cyborg dat de grens tussen mens en machine een stuk waziger is dan OCP beweert.

Conclusie

Aan de hand van de eerder genoemde studies kan dus geconcludeerd worden dat de manier waarop RoboCop wordt behandeld door OCP niet gerechtvaardigd is. Het antropocentrische en op instrumentalisme gebaseerde denkbeeld van personages als Bob Morton en Richard Jones is gedateerd, en houdt onder andere geen rekening met de technologische ontwikkelingen die sinds het einde van de twintigste eeuw op gang zijn gekomen. RoboCop bewijst in de film dat hij in staat is om autonoom en met een zekere mate van intentionaliteit te handelen, maar dit wordt niet erkend door OCP, wat uiteindelijk leidt tot de overschrijding van ethische grenzen.

Maar ondanks de discutabele morele keuzes van het management van OCP, is het neoliberalisme uiteindelijk de grootste boosdoener in dit verhaal. De ongereguleerde vrije markt en het schrijnende gebrek aan wetgeving die centraal staan binnen dit politieke systeem maken deze beleidsvoering immers mogelijk. Het stimuleren van economische belangen als winstbejag en efficiëntie gaat overduidelijk ten koste van het welzijn van OCP’s personeel, wat zich uiteindelijk ook vertaalt naar de manier waarop RoboCop wordt behandeld door de techgigant.

Bekeken vanuit de Self Determination Theory is het welzijn van RoboCop namelijk bijzonder laag. Van de beperkingen die OCP hem oplegt in zijn sociale leven en het gebrek aan acceptatie en veiligheid, tot de dubieuze beslissingen die bij de operatie van Alex Murphy zijn gemaakt. Om deze redenen heeft ongeremd neoliberalisme daarom zonder meer een negatieve invloed op het leven van de cyborg.

Bibliografie

Arzroomchilar, Ehsan, and Daniel D. Novotný. 2018. “Verbeek on the Moral Agency of Artifacts.” Organon F 25 (4): 517–38.

Deci, Edward L., and Richard M. Ryan. 2012. “Motivation, Personality, and Development Within Embedded Social Contexts: An Overview of Self-Determination Theory.” In Oxford Library of Psychology. N.p.: Oxford University Press. https://doi.org/10.1093/oxfordhb/9780195399820.013.0006.

Forlano, Laura. 2017. “Posthumanism and Design.” She Ji: The Journal of Design, Economics, and Innovation 3 (1): 16–29. https://doi.org/10.1016/j.sheji.2017.08.001.

Gomel, Elana. 2011. “Science (Fiction) and Posthuman Ethics: Redefining the Human.” The European Legacy, toward New Paradigms 16 (3): 339–54. https://doi.org/10.1080/10848770.2011.575597.

Haraway, Donna. 1991. A Cyborg Manifesto: Science, Technology, and Socialist-Feminism in the Late 20th Century. New York: Routledge.

Michael, Mike. 2016. Actor-Network Theory: Trials, Trails and Translations. New York: Sage Publications Ltd.

Ouden, R. H. J. den. 2013. “Actor Network-Theorie, Sociologie en Media Theorie: De basis voor een nieuwe media theorie.” http://localhost/handle/1874/288121.

Robertson, Michael. 2009. “Property and Privatisation in RoboCop.” International Journal of Law in Context 4 (3): 217–35. https://doi.org/10.1017/S1744552308003029.

Scott, Ridley, dir. 1982. Blade Runner. Warner Bros.

Verbeek, Peter-Paul. 2011. Moralizing Technology: Understanding and Designing the Morality of Things. Chicago: University of Chicago Press. https://doi.org/10.7208/9780226852904.

Verhoeven, Paul, dir. 1987. RoboCop. 20th Century Fox.

Wellner, Galit. 2017. “Ethics in Times of Posthumanism.” Foundations of Science 22 (2): 329–32. https://doi.org/10.1007/s10699-015-9442-y.

Reacties zijn gesloten.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑